Oostvaardersplassen: wilde natuur?

konik paardjes

 

De Oostvaardersplassen zijn veel in het nieuws geweest: door het koude weer ondergaan meer grote grazers een hongerig noodlot. Er wordt emotioneel geprotesteerd tegen 'dierenleed', omdat de heckrunderen, konikpaarden en edelherten in het gebied op advies van ecologen niet worden bijgevoerd. Dit gebeurt steeds vaker in natuurgebieden, maar hoe natuurlijk zijn de oorspronkelijke, wilde soorten grazers eigenlijk nog? Rob Lenders laat zien dat het nog niet zo eenvoudig is om dit uit middeleeuwse bronnen af te leiden.

 

Natuurlijke grasmaaiers

Modern natuurbeheer lijkt tegenwoordig op niets doen. Tot eind jaren ’80 was het gebruikelijk om graslanden te maaien en heide te laten begrazen met schaapskudden - in feite een variant van oude landbouwtechnieken. Gaandeweg gaan steeds meer beheerders echter over op natuurlijke processen en zetten vooral graag vrij rondlopende grazers in om de vegetatie kort te houden. Helaas zijn verschillende oorspronkelijke soorten die ze graag gebruikt hadden inmiddels uitgestorven, maar zij kunnen worden vervangen door primitieve huisdierrassen. Zo vervangen Schotse hooglanders en vooral gallowayrunderen de oeros, die in Nederland nog voorkwam in de laat-Romeinse tijd en het in Polen nog tot 1627 heeft volgehouden in het koninklijk jachtreservaat Puszcza Jaktorowska, zo’n 50 kilometer ten zuidwesten van Warschau.

 

Konikpaard

Over wilde paarden is wat meer discussie. Zijn die er nog? Sommige ecologen houden het erop dat het oorspronkelijke genetische materiaal het best bewaard is gebleven in de Poolse konikpaarden (konik is ‘klein paardje’ in het Pools). Deze koniks zouden het resultaat zijn van kruisingen in de 19de eeuw van de laatste wilde paarden (tarpans), met lokale boerenwerkpaarden. Anderen wijzen op de kleine exmoorpony, die in halfwilde kudden leeft in het gelijknamige National Park in Zuidwest-Engeland. Dit zou de directe nakomeling zijn van een wild oerpaardje dat daar al eeuwen geleden vrij rondliep.

 

Domesday Book

Om de oorsprong van het wilde paard te staven refereren sommige ecologen aan het Domesday Book, het register dat koning Willem de Veroveraar tussen 1086 en 1088 liet maken om belastingen te kunnen heffen, na zijn overname van Engeland in 1066. Het geeft een uitgebreide beschrijving in het Latijn van alle bossen, akkers en weidegronden maar ook van het vee dat werd gehouden en van andere bezittingen van uiteenlopende aard, zoals horigen, huizen en watermolens, die een bron van inkomsten waren voor de Normandische en Angelsaksische adel.

In het Domesday Book is inderdaad sprake van equae indomitae (ongetemde merries) en equae silvestres (bosmerries) in en rond het huidige Nationaal Park Exmoor. Het lijkt te gaan om kuddes die vrij in deze streek rondzwierven, maar het doet toch wat merkwaardig aan om in een lijst van adellijke bezittingen een vermelding aan te treffen van wilde dieren. Kan het om jachtwild zijn gegaan? Dat is onwaarschijnlijk, want van andere wilde diersoorten als wild zwijn en edelhert, bij uitstek jachtwild voor de hogere sociale klassen, ontbreekt in het Domesday Book elk spoor.

 

Merries als eigendom

Behalve de zes vermeldingen van ‘wilde paarden’ bij Exmoor komen nog zo’n honderd vermeldingen voor van equae indomitae of equae silvestres uit vooral de graafschappen Norfolk, Devon, Somerset en Cornwall. Opvallend is het consequente gebruik van de vrouwelijke vorm, equae. Het gaat dus niet om paarden in het algemeen, maar specifiek om merries. De conclusie lijkt gerechtvaardigd dat het Domesday Book de merries als iemands eigendom aanmerkte, op basis waarvan de eigenaar aangeslagen kon worden, en dat die ‘wilde paarden’ op vele plaatsen voorkwamen, niet alleen in Exmoor.

 

exmoor pony

Een exmoor Pony, volgens sommige ecologen nakomelingen van oerpaardjes die in het Domesday Book genoemd zouden zijn.

 

Uit de Angelsaksische testamenten

Middeleeuwse vermeldingen van ongetemde, in de wildernis rondlopende paarden zijn dan ook niet exclusief voor Exmoor. Behalve het Domesday Book merken ook andere middeleeuwse bronnen ‘wilde paarden’ aan als eigendom. Angelsaksische testamenten bijvoorbeeld, zoals dat van lady Wynflæd uit ongeveer 950. Hierin lezen we dat ze ‘hyre dæl þera wildera horsa þe mid Eadmæres synt’ (haar deel van de wilde merries die zich tussen die van Eadmær bevinden) nalaat aan een zekere Cynelufu. Ook uit andere regio’s in Europa - in Schotland, Bohemen, Frankrijk en Duitsland - is met enige regelmaat sprake van wilde (bos)merries, soms algemener aangeduid als paarden, equi silvestres of equi vagi (zwervende paarden). Opgaven uit Bredevoort en Zieuwent (‘Berlewalde’) in de Gelderse Achterhoek, het Reichswald bij Nijmegen en diverse streken in Midden-Limburg (Echterwalt bij Echt/Montfort, Merlenbroek bij Belfeld en de Meinweg bij Melick-Herkenbosch) melden ook wilde paarden.

 

Niet zonder toezicht

In alle gevallen gaat het echter om paarden die nut en waarde voor mensen hadden, en bovendien om kuddes of individuele ‘wilde paarden’ die in bezit waren van de adel of kloosters. Deze paarden liepen dan ook niet geheel zonder toezicht in de natuur rond. Zowel in Hongaarse en Tsjechische als in Schotse, Duitse en Nederlandse bronnen is sprake van mensen die de kuddes beheerden. Een Tsjechische schenkingsakte uit 1160 spreekt bijvoorbeeld over ‘equas indomitas cum (…) custodibus earum’, ongetemde paarden en hun opzichters. Soms was er kennelijk zelfs bijvoeding door een nutritor.

 

Stoeterij

Het is niet waarschijnlijk dat dit zeer kostbare rijdieren betrof. De kuddes waren in hun halfwilde leefwijze immers blootgesteld aan de elementen en aan roofdieren als wolven die in grote delen van Europa nog rondwaarden. Het lijkt eerder te gaan om een oude, goedkope methode om werkpaarden te houden: door ze voor zichzelf te laten zorgen en er naar behoefte exemplaren uit te halen. Er zijn sterke aanwijzingen dat de landeigenaar bij tijd en wijle opdracht gaf om er enkele in te vangen en vervolgens aan te bieden als werkpaard. In 1340 liet bijvoorbeeld de hertog van Gelre zeventien veulens uit de kudde ‘wilde paarden’ uit het Reichswald verkopen. In de Middeleeuwen maakte men voor licht agrarisch werk, het trekken van karren en het aandrijven van rosmolens, gebruik van zulke affri of stotti, zoals deze paarden in Engelse rekeningen worden genoemd. De term stotti lijkt verwant aan het Middelhoogduitse stuot en het Oud-Engelse woord stod, waarmee eerst een kudde vrij rondlopende paarden maar later ook de plaats waar deze kuddes rondliepen werden aangeduid. Ons woord stoeterij komt er ook vandaan.

 

Echt wild?

Het Domesday Book en andere bronnen hebben het dus zeer waarschijnlijk niet over echt wilde paarden, maar over de dieren die bewust vrij mochten rondlopen en voor nakomelingen zorgden. Veeleer refereren de bronnen aan een middeleeuws systeem van paardenfokkerij. Dit verklaart ook waarom er zo vaak sprake is van merries en niet van paarden in het algemeen. Om de rust binnen de kuddes te behouden werden hengsten zo weinig mogelijk als vrijlopende dieren toegelaten.

Dit wil niet zeggen dat er geen paarden thuishoren in het huidige natuurbeheer. Zolang we dan maar beseffen dat het meer gaat om herstel van een middeleeuwse landbouwpraktijk dan om rehabilitatie van een natuurlijk proces.

 

Rob Lenders is universitair docent milieukunde aan de Radboud Universiteit Nijmegen en doet historisch-ecologisch onderzoek naar mens-dierrelaties in het Holoceen.

 

Afbeelding: Konik paarden in de Oostvaardersplassen

Aanmelden nieuwsbrief