Geschiedenis van de gewone man

De gewone man

 

Wie het verleden bekijkt, kan niet anders dan concluderen: de gewone man was de mier die de balk van de geschiedenis mocht voortslepen. Jos Palm schreef kortgeleden een boek over hem.

 

Edele fabriekswilde

Als roeier mocht hij bij de slag bij Salamis (480 v.Chr.) verdrinken voor het vrije Griekenland dat zich de autocratische Perzen van het lijf hield; als voetknecht toog hij in 1098 ten kruistocht om ridders bij te staan in hun zoektocht naar de heilige graal; als volkssoldaat van de kleine korporaal werd hij geacht te doden en te sterven bij de slag bij de Berezina (1812) en bij de volkerenslag te Leipzig (1813); als edele fabriekswilde zou hij in opdracht van Marx de arbeidersklasse - en in een moeite door de gehele mensheid - bevrijden; en als kanonnenvlees werd hij aan de Somme en de Marne de loopgraven ingestuurd, ook alweer ter wille van de mensheid, ditmaal versmald tot een handvol vaderlanden. Om kort te gaan, de gewone man was niet alleen horige, slaaf, krotbewoner, loonslaaf en sappelaar in oud ijzer of lompen, hij was ook een man die zich het hoofd op hol liet brengen in de hoop er beter van te worden. Hij was maag en buik en evenzeer hoofd en hart, en hij was uit op iets wat zich nog het best laat omschrijven als erkenning.

 

Neerzien op de ploetermens
Een geschiedenis van de gewone man is altijd meer dan het verhaal van zijn bittere leefomstandigheden, zijn gesloof voor piepers en pap, een neutje nu en dan en een dak boven zijn veelgeplaagde kop. Het is een geschiedenis van het neerzien op de ploetermens, van zijn gebruik en misbruik door farao’s, godgelijke koningen, keizers, vorsten, welgestelde heren, eerste ministers en evenzo door kleine potentaten op de vierkante millimeter van eigen stad of streek. Tegelijkertijd leert zijn verleden dat hij zich als een baron van Munchhausen aan zijn eigen haren uit het moeras van de achterstandswijk en middeleeuwse dooie akker omhoog probeert te trekken.

 

Het begon bij Hammurabi
Maar waar aan te vangen met zijn verhaal? En wat weten we eigenlijk over de gewone man om nog maar te zwijgen van de gewone vrouw, de ongeziene mensensoort waarover de bronnen eeuwenlang hardnekkig zwijgen? Laten we beginnen bij de Oudheid. In die periode wordt hij beschreven als een wezen dat nauwelijks tot de homo sapiens gerekend mag worden. We komen hem voor het eerst tegen in het beroemde wetboek van de Babylonische koning Hammurabi (1792-1750 v.Chr.). ‘Men zal het oog blind maken van de hooggeplaatste man die het oog van een andere hooggeplaatste man blind maakt,’ liet de wetgever optekenen. Wie echter als voornaam heerschap ‘het oog van een gewone man’ - het stond er letterlijk - het licht ontnam, kon dat afkopen met een paar munten. Met een handvol sjekels was de schade afgedaan, alsof de sappelsapiens een product was en geen menselijk wezen dat aanspraak kon maken op de oog-om-oog-tand-om-tandvereffening die indertijd gangbaar was onder het handjevol mensen dat ertoe deed (een gewone vrouw beschadigen door aanranding of erger kostte nog minder, nog niet de helft aan beschadigingskosten voor de gewone man).
Toen het recht werd neergeschreven, bleek de gewone man dus het afvalputje. En met Hammurabi was de toon bepaald. Filosofen als Plato, Aristoteles en Seneca schreven dat de ploeteraar geen ‘edel, welgestemd bestaan’ kon leiden, te druk als deze was met zijn pleziertjes, wissewasjes en onhebbelijke zorgen om zijn altijd opspelende buik. Hij was goed om de stoel onder het gat van de edele mensensoort te timmeren, of, zoals de wijsgeer Plotinus schreef, ‘alleen geschikt om voorwerpen te vervaardigen die nodig zijn in het leven van deugdzame mensen’, en daarmee was alles gezegd.


En de gewone man zelf, hoe keek hij ondertussen naar zichzelf en zijn arbeid? Lees het in ons februarinummer - nu in de winkel! 


*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: