De dichtende sekstoerist | Roep van Rome

Rome

 

Rome heeft altijd al reizigers aangetrokken: avonturiers, kunstenaars, soldaten, pelgrims, gelovigen en migranten. Ook uit Nederland. Arthur Weststeijn schreef een boek over hen en vertelt in Geschiedenis Magazine over enkele markante Romegangers. 

 

Rome: er is geen andere stad die al zó lang zó veel mensen trekt. Al bijna drie millennia komen er bezoekers uit alle windstreken naar de Eeuwige Stad om zich te laven aan het goede Romeinse leven. Zo ook natuurlijk Nederlanders, die maar al te graag hun drassige rivierdelta  achter zich laten. Pelgrims, kunstenaars, toeristen en schoolklassen: al eeuwenlang kunnen ze geen weerstand bieden aan de lokroep uit het zuiden. Maar wat hopen ze daar eigenlijk te vinden? 

 

Naar de keizer en boetedoen

De eersten die de grijze Nederlandse luchten verruilden voor het zuidelijke zonlicht, waren de Friezen en Bataven. Tacitus schrijft al over hen: twee Friezen, Verritus en Malorix, die in het jaar 58 naar Rome afreisden voor een onderhoud met keizer Nero en met hun branie tot veel hilariteit leidden onder de Romeinse elite. De Bataven deden niet voor hen onder: wie goed zoekt in Rome, kan nog de graven vinden van enkele Bataafse soldaten die in diezelfde jaren als bodyguards werkten voor de keizer. Op hun grafstenen staat hun Bataafse oorsprong duidelijk vermeld, trotse migranten in smeltkroes Rome. 

 

Friezenkerk

Na de doorbraak van het christendom was het de beurt aan de pelgrims. In de donkere Middeleeuwen gaat menig gelovige vanuit het noorden op pad om boete te doen. Meestal te voet, zo’n reis kon maanden duren, en wie heelhuids aankwam, vond dan in de buurt van het graf van Petrus onderdak in een eigen kerkje voor landgenoten (die ‘Friezenkerk’ staat er nog steeds, vlak tegenover de Sint-Pieter). Later, toen de paus met het organiseren van het Jubeljaar in 1350 het massatoerisme op gang bracht, konden Nederlandse pelgrims terecht in het gastenverblijf van Jan Peters uit Dordrecht en zijn vrouw Katrien. Ook deze pleisterplaats groeide uit tot een kerk, nog altijd te bewonderen vlak achter het Piazza Navona: de prachtige Santa Maria dell’Anima (waar ook de enige Nederlandse paus rust, Adriaan VI uit Utrecht).

 

Een ongegeneerde heer

De Eeuwige Stad had echter veel meer te bieden. Niemand die dit beter kon beamen dan Matthijs van der Merwede, de heer van Clootwijck. Hij toog in 1647 samen met een Leidse geleerde op grand tour naar Italië, zoals zoveel adellijke jongelieden. In eerste instantie vond hij er weinig aan in Rome, maar al snel moest hij zich gewonnen geven: het  leven beviel er de heer van Clootwijck bij nader inzien prima. Dat kwam vooral omdat hij zijn naam eer aandeed en vrij letterlijk zijn kloten achternaliep. Het hoofd op hol gebracht door  het plaatselijk schoon ging hij op veroveringstocht, waarbij hij de ene na de andere jonge Romeinse verschalkte. Zijn slachtoffers waren vaak wel heel erg jong, tieners nog, maar de heer van Clootwijck, zelf al dik in dertig, liet ongegeneerd zijn lusten de vrije loop. We weten dit dankzij zijn eigen loslippigheid: terug in Nederland publiceerde hij in 1651 namelijk een dichtbundel, Uyt-heemsen oorlog, ofte Roomse min-triomfen, waarin hij vol trots zijn vele veroveringen bezong. Een blad voor de mond bleek niet aan hem besteed:

 

’t is niet om haer brand te blussen,// Dat mijn Kind mijn fluyt gaet kussen;

’t Spijsden noyt haer geyl gebrek,// Dat sy my beet in de nek.

 

Hoe gaat dit gedicht van deze ongegeneerde heer verder? En waren er nog meer van dit soort 'dichtende sekstoeristen' die Rome aandeden? Lees het in ons januari-nummer, nu in de winkel! 

 

Rome heeft altijd al reizigers aangetrokken: avonturiers, kunstenaars, soldaten, pelgrims, gelovigen en migranten. Ook uit Nederland. Arthur Weststeijn schreef een boek over hen en vertelt in Geschiedenis Magazine over enkele markante Romegangers.

 

 

De dichtende sekstoerist

 

Rome: er is geen andere stad die al zó lang zó veel mensen trekt. Al bijna drie millennia komen er bezoekers uit alle windstreken naar de Eeuwige Stad om zich te laven aan het goede Romeinse leven. Zo ook natuurlijk Nederlanders, die maar al te graag hun drassige rivierdelta  achter zich laten. Pelgrims, kunstenaars, toeristen en schoolklassen: al eeuwenlang kunnen ze geen weerstand bieden aan de lokroep uit het zuiden. Maar wat hopen ze daar eigenlijk te vinden?

 

Naar de keizer en boetedoen

De eersten die de grijze Nederlandse luchten verruilden voor het zuidelijke zonlicht, waren de Friezen en Bataven. Tacitus schrijft al over hen: twee Friezen, Verritus en Malorix, die in het jaar 58 naar Rome afreisden voor een onderhoud met keizer Nero en met hun branie tot veel hilariteit leidden onder de Romeinse elite. De Bataven deden niet voor hen onder: wie goed zoekt in Rome, kan nog de graven vinden van enkele Bataafse soldaten die in diezelfde jaren als bodyguards werkten voor de keizer. Op hun grafstenen staat hun Bataafse oorsprong duidelijk vermeld, trotse migranten in smeltkroes Rome.

Na de doorbraak van het christendom was het de beurt aan de pelgrims. In de donkere Middeleeuwen gaat menig gelovige vanuit het noorden op pad om boete te doen. Meestal te voet, zo’n reis kon maanden duren, en wie heelhuids aankwam, vond dan in de buurt van het graf van Petrus onderdak in een eigen kerkje voor landgenoten (die ‘Friezenkerk’ staat er nog steeds, vlak tegenover de Sint-Pieter). Later, toen de paus met het organiseren van het Jubeljaar in 1350 het massatoerisme op gang bracht, konden Nederlandse pelgrims terecht in het gastenverblijf van Jan Peters uit Dordrecht en zijn vrouw Katrien. Ook deze pleisterplaats groeide uit tot een kerk, nog altijd te bewonderen vlak achter het Piazza Navona: de prachtige Santa Maria dell’Anima (waar ook de enige Nederlandse paus rust, Adriaan VI uit Utrecht).

 

Een ongegeneerde heer

De Eeuwige Stad had echter veel meer te bieden. Niemand die dit beter kon beamen dan Matthijs van der Merwede, de heer van Clootwijck. Hij toog in 1647 samen met een Leidse geleerde op grand tour naar Italië, zoals zoveel adellijke jongelieden. In eerste instantie vond hij er weinig aan in Rome, maar al snel moest hij zich gewonnen geven: het  leven beviel er de heer van Clootwijck bij nader inzien prima. Dat kwam vooral omdat hij zijn naam eer aandeed en vrij letterlijk zijn kloten achternaliep. Het hoofd op hol gebracht door  het plaatselijk schoon ging hij op veroveringstocht, waarbij hij de ene na de andere jonge Romeinse verschalkte. Zijn slachtoffers waren vaak wel heel erg jong, tieners nog, maar de heer van Clootwijck, zelf al dik in dertig, liet ongegeneerd zijn lusten de vrije loop. We weten dit dankzij zijn eigen loslippigheid: terug in Nederland publiceerde hij in 1651 namelijk een dichtbundel, Uyt-heemsen oorlog, ofte Roomse min-triomfen, waarin hij vol trots zijn vele veroveringen bezong. Een blad voor de mond bleek niet aan hem besteed:

 

’t is niet om haer brand te blussen,//            Dat mijn Kind mijn fluyt gaet kussen;

’t Spijsden noyt haer geyl gebrek,// Dat sy my beet in de nek.

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: