De Kwestie

De Kwestie

 

In ieder nummer wordt een prikkelende, historische stelling besproken. Twee historici (één voor, één tegen) laten hun licht over een kwestie schijnen. Met deze keer:'De joods-christelijke traditie is een verzinsel'. George Harinck, hoogleraar geschiedenis van het neocalvinisme aan de Vrije Universiteit, bijzonder hoogleraar geschiedenis aan de Theologische Universiteit Kampen en directeur van het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme, is voor de stelling. Waarom? Lees het hier: 

 

 

Invented tradition 

‘Ja, in die stelling kan ik me wel vinden. Het is natuurlijk zo dat iedere traditie altijd een mythisch element in zich draagt. Maar in het geval van de zogenoemde joods-christelijke traditie kunnen we alleen maar vaststellen dat dit idee een echte invented tradition is, zoals de historicus Hobsbawm het bedoelde: het vormt de basis voor een ideologisch programma, en heeft niet of nauwelijks wortels in de historische werkelijkheid. Het christendom liep namelijk uit op een breuk met het jodendom, en zo werd het tot zeer recent ook van beide kanten beschouwd.

 

Schuldgevoelens over de Holocaust

Het antisemitisme in de christelijke theologie – en niet zelden in de praktijk van de christenheid – vormt daar de illustratie bij. Het huidige idee van een joods-christelijke traditie kwam pas na de Tweede Wereldoorlog in zwang. En dan niet onder Joden, maar onder christenen in het Westen. Dat had natuurlijk alles te maken met schuldgevoelens over de Holocaust en, in Nederland, het relatief zeer hoge percentage weggevoerde Joden. De term was daarbij inclusief bedoeld: men wilde ermee zeggen dat de Joden ‘erbij hoorden’. Indirect werd zo echter ook het vooroorlogse antisemitisme in de westerse samenlevingen uitgegumd. Door plots te spreken van een joodschristelijke traditie, werd namelijk niet alleen gesteld dat de Joden er vanaf nu bij hoorden, maar dat dit eigenlijk altijd al het geval was geweest. Het is dan ook begrijpelijk dat veel Joden op zijn minst gemengde gevoelens hebben over deze nieuwe uitdrukking.

 

De Joodse identiteit

Ten eerste heeft niemand om hun mening gevraagd. Hier was het opnieuw de christelijke en liberale meerderheid die bepaalde wie erbij hoorden en wie niet. Bovendien leek zo opnieuw de uniciteit van de Joodse cultuur, en dus het bestaan van een aparte Joodse identiteit, te worden betwist. Vanaf de Franse Revolutie hadden veel Joden in West-Europa zich namelijk voor een pijnlijk dilemma geplaatst gezien. Als burgers van de moderne liberale natie kregen zij gelijke rechten, maar daar stond wel de eis van vrijwel volledige assimilatie aan de meerderheidscultuur tegenover. Zij mochten in een tijd van groeiend nationalisme niet meer als ’natie’ of ‘volk’ met een eigen identiteit herkenbaar zijn. Dat plaatste Joden in een lastig parket: moesten ze zich volledig aanpassen of konden ze vasthouden aan een zekere Joodse identiteit? Het zionisme vormde deels het antwoord op dit 19de-eeuwse Joodse probleem. En nu het idee van een joods-christelijke grondslag van de Europese beschaving gemeengoed lijkt te worden – wat uiteraard alles met de actualiteit van nietwesterse immigratie te maken heeft – zien Joden zich opnieuw voor hetzelfde probleem geplaatst. De christelijke en liberale meerderheid walst over de Joodse identiteit heen alsof deze nooit zelfstandig heeft bestaan. Ze worden zo gedresseerd tot ‘gemiddelde Nederlander’. Ons wordt ingeprent dat het verbindingsstreepje in ‘joods-christelijk’ even onproblematisch is dat in ‘Noord-Holland’. Maar wie er goed over nadenkt, ziet al snel dat dit absoluut niet het geval is.’

 

Frank van der Vree is tegen de stelling. Wat voor argumenten gebruikt hij om deze kwestie te ontkrachten? Lees het in ons decembernummer! 

 

 

Aanmelden nieuwsbrief