The Pursuit of Hapiness in Mississippi

VisserMoses1

 

Aan het najagen van geluk kwamen veel zwarte Amerikaanse burgers in de 19de en 20ste eeuw niet toe; ze waren al blij als ze overleefden. Pogingen dit te veranderen liepen steeds stuk, maar in de jaren 1960 kreeg de burgerrechtenbeweging het tij mee. We kennen boegbeelden als Martin Luther King en Malcolm X. Veel minder bekend is Robert Parris Moses. Dit komt door zijn bescheidenheid, maar ook door zijn methode. Laura Visser-Maessen neemt ons mee naar zijn werkterrein: het straatarme zwarte Mississippi.

 

Armoede en racisme 

In 1960 reisde de in Harlem opgegroeide Robert Parris Moses naar Atlanta. Hij was 25 en was twee jaar eerder gestopt met zijn promotie in de filosofie aan Harvard omdat hij als docent wiskunde zijn labiele, aan alcohol verslaafde vader moest onderhouden. Promoveren was bijzonder voor een zwarte jongen uit de achterstandswijk Harlem; de zwijgzame en zachtaardige Moses had een beurs gekregen vanwege zijn bijzonder hoge cijfers. Net als hij kampten in New York veel zwarten met armoede en racisme, maar in het Diepe Zuiden was het nog veel erger. In de Mississippi Delta bijvoorbeeld, het moerasgebied in het noordwesten van de staat Mississippi, werkten zwarten vooral als pachtboeren op katoenplantages en woonden, in ruil voor arbeid, in armoedige huizen zonder verwarming, soms zelfs zonder bedden. De meesten waren straatarm, ongeschoold en leden honger. Blanken, nog geen 20% van de bevolking hier, leefden bijna allemaal in weelde. Deze conservatieve plantage-elite domineerde de staatspolitiek, geholpen door terroristische groeperingen zoals de Ku Klux Klan. Activisten maar ook gewone zwarte burgers werden regelmatig gearresteerd, geïntimideerd en zelfs vermoord.

 

Directe actie

Moses besloot zich aan te sluiten bij de honderden zwarte studenten die in 1960 door ‘sit-ins’ en geweldloze protestmarsen de strijd aangingen met de segregatie in het Zuiden. Hij beschouwde deze ‘direct action’ als een toepassing van de existentialistische leer van Albert Camus, die hem zeer inspireerde. Hij had altijd een exemplaar van The Rebel (L’Homme révolté) uit 1951 op zak. De Franse schrijver verbond zelfontplooiing met democratie en pacifisme en had als devies: leef ‘noch als slachtoffer, noch als beul’. Moses wilde deze leus in het Zuiden in de praktijk brengen maar kwam al gauw tot de ontdekking dat directe actie niet paste bij zijn verlegen aard. Hij werkte liever onopvallend aan een activistennetwerk in de Delta. Hier lag nog een heel werkterrein open, want de burgerrechtenorganisatie Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC), net opgericht om de sit-ins te coördineren, had in het diepe Zuiden nog geen contacten.

 

Waarom je leven wagen?
In de Delta ging Moses samenwerken met Amzie Moore, een burgerrechtenactivist uit de piepkleine zwarte middenklasse. Verzet tegen de segregatie was hier gevaarlijk. Terwijl Moses sliep, patrouilleerde Moore rond zijn huis met een geweer, elke nacht. Dat moest wel, want bij problemen zou niemand hen helpen. Ook de federale overheid in Washington deed niets, uit angst de soevereiniteit van de staten aan te tasten, al gold sinds de Burgeroorlog voor zwarte burgers evengoed de zinsnede in de Onafhankelijkheidsverklaring: alle mensen zijn gelijk geschapen en hebben het onvervreemdbare recht op ‘Life, Liberty and the Pursuit of Happiness’. Welke tactiek kon Moses dan inzetten?

 

Lees meer over de (succesvolle) tactiek die Robert Moses toepaste in ons oktobernummer, en hoe dit uiteindelijk leidde tot de Freedom Summer (1964) en (indirect) de Voting Rights Act van 1965.. 

 

Afbeelding: Werk en huisvesting van zwarte katoenarbeiders in de Mississippi Delta waren tussen de jaren '40,, toen deze foto werd gemaakt, en de jaren '60 nog weinig veranderd. 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: