'We praten nog steeds niet over slavernij'

kromhout 1

 

Alex van Stipriaan is een veteraan in het slavernij-onderzoek. Al meer dan vijfentwintig jaar probeert hij van dit beschamende verleden een integraal onderdeel van de Nederlandse geschiedenis te maken. Momenteel schrijft hij een publieksboek over Suriname. In een gesprek met Bas Kromhout van Geschiedenis Magazine zei Van Stipriaan dat er nu weliswaar meer aandacht is voor de slavernij, maar dat Nederland nog lang niet klaar is met de erfenissen ervan. 

 

Waarom een nieuw boek?
‘Behalve De Nederlandse slavenhandel 1500-1850 van Piet Emmer is er geen boek dat weliswaar wetenschappelijk, maar toch toegankelijk is. Bovendien probeer ik veel meer vanuit het perspectief van de slaafgemaakte Surinamers te schrijven.’

 

Zijn er genoeg bronnen om dat perspectief te laten zien?
‘Verreweg de meeste bronnen zijn geschreven door koloniale ambtenaren. De stem van degene die je wilt horen heb je dus nooit rechtstreeks. Maar gelukkig hebben we handgrepen om dat materiaal mee te lijf te gaan. De Amerikaanse antropoloog Ann Stoler heeft ons geleerd tegendraads te lezen en luisteren. Wat wordt er in de bronnen niet gezegd en wat betekent dat? Daarnaast maak ik gebruik van de orale methode. Die werkt vooral goed bij Marrons [afstammelingen van gevluchte slaven die in de jungle eigen gemeenschappen stichtten, red.], want die hebben een levende orale traditie. Elk Marronvolk heeft zijn eigen Genesis, die begint op het moment dat de stamvaders zijn gevlucht. Die verhalen zeggen ook iets over het leven op de plantages. Helaas kennen de meeste andere Afro-Surinamers geen overleveringen meer uit de tijd van de slavernij. Ik heb vaak interviews gehouden, maar de verhalen die mensen vertelden waren vermengd met beelden en interpretaties uit de Amerikaanse tv-serie Roots. Ik haal wel veel informatie uit gezegdes. Die zeggen iets over normen en waarden van vroeger.’

 

Zouden zwarte Surinamers het perspectief van slaven beter vertolken dan een witte historicus?
‘Tot op zekere hoogte vind ik dat huidskleur geen rol speelt. Het gaat om je houding. Er zijn zwarte onderzoekers die een heel koloniaal perspectief gebruiken en er zijn witte onderzoekers die proberen een postkoloniaal perspectief te hanteren. Zoals De Britse schrijver L.P. Hartley zei: het verleden is een vreemd land. Ook de Afro-Surinamer die zijn geschiedenis wil beschrijven, heeft het over een context die hij niet zelf heeft meegemaakt. Dat neemt niet weg dat er meer zwarte historici moeten komen. Ik ben verbonden aan de zwartste universiteit van Nederland, de Erasmus in Rotterdam, maar daarbinnen is mijn afdeling geschiedenis zo ongeveer de witste. Rechten, bestuurskunde en medicijnen zijn veel zwartere faculteiten. Tweede-generatie Nederlanders kiezen eerst maatschappelijke zekerheid en een studie geschiedenis levert die niet altijd meteen. Ik hoop dat daar verandering in komt.’

 

Waarom?
‘Zwart zijn helpt bij je benadering van het onderzoeksmateriaal. Zo kan het handig zijn te weten hoe je zwart haar moet kammen, als je iets wilt begrijpen van ochtendrituelen. Heel fundamenteel is dat je weet hoe het voelt om als zwarte man of vrouw in een witte wereld rond te lopen. Mijn emoties kunnen toch anders zijn dan die van een zwarte historicus. Dan kun je zeggen dat emoties niet moeten meespelen in de wetenschap, maar dat vind ik onzin. Ik denk niet dat enige historicus volkomen emotieloos te werk gaat. Natuurlijk zitten we allemaal vast in onze kleur, seksualiteit en leeftijd. Dat beïnvloed je.’

 

Moet u dan niet stoppen met schrijven over slavernij?
‘Nee, natuurlijk mag ik daarover schrijven. Ik heb een bepaalde expertise opgebouwd en denk dat ik een bijdrage kan leveren. Ik schrijf ook over jongeren en vrouwen, terwijl ik een oudere man ben. Mag ik dan alleen schrijven over mannen die uit precies hetzelfde milieu komen als ik?’

 

Sommige activisten vinden dat een witte man niet het recht heeft over zwarte ervaringen te schrijven.
‘Ik ben blij dat er activisten zijn die dat soort dingen roepen, omdat ze je scherp maken. Als ik af en toe te horen krijg: “Hou jij nou eens je mond, want jij hebt al genoeg gepraat als witte man”, dan is dat vaak terecht. Maar ik zal nooit akkoord gaan met helemaal mijn mond houden. Een ander iets verbieden leidt tot stilstand. Dan is er geen gesprek mogelijk en krijg je weer een eendimensionaal verhaal van de andere kant. Er moet dialoog zijn. Die mag best vlijmscherp zijn, omdat dat de motor is van nieuwsgierigheid en innovatie in de wetenschap.’

 

Bent u in de afgelopen kwarteeuw anders tegen het slavernijverleden gaan aankijken?
‘Zeker. Alleen al de terminologie is veranderd. Zo zal ik het woord “wegloper” niet meer gebruiken, want die vertolkt veel meer het perspectief van de slavenhouder dan van degene die slaaf is gemaakt. Tegenwoordig heb ik het over mensen die zijn gevlucht of ontsnapt. Of ik noem hen Marrons, net als hun afstammelingen zelf doen. Vroeger was het heel normaal om te spreken van “Bosnegers”. De laatste jaren zijn we steeds meer gewend geraakt om in navolging van het Engelse enslaved te spreken van “tot slaaf gemaakten”. Een hele mond vol. Zelf laat ik het woordje “tot” weg.’

 

Is er ook inhoudelijk iets veranderd?
‘Vijfentwintig jaar geleden beschouwden we slaafgemaakte Surinamers nog als een amorfe massa van onderdrukte en onderworpen mensen. Er zijn nu allerlei studies waaruit blijkt dat zij heel verschillende posities konden innemen. Sommigen hadden een slavenstatus, maar waren relatief vrij in hun doen en laten. Anderen waren officieel vrij, maar moesten eigenlijk een slavenbestaan leiden. Er waren ook mensen van gemengde afkomst, die je in alle lagen van de maatschappij kon aantreffen. We hebben een veel beter inzicht gekregen in de complexiteit en gelaagdheid van de Surinaamse samenleving. Ook zijn we ons meer bewust van veranderingen in de tijd. Het systeem in 1700 zag er anders uit dan in 1850. Bovendien waren er grote verschillen tussen locaties.’

 

Is de slavernij in Suriname vergeleken met andere landen?
‘Daarmee staan we nog aan het begin. Het overgrote deel van de slavernijstudies gaat over Noord-Amerika en de Britse Cariben. Ook zijn Suriname en de Nederlandse Cariben nog weinig met elkaar vergeleken, terwijl er grote verschillen waren. Het zou verder interessant zijn om Zuid-Afrika erbij te betrekken. Als je het museum in de voormalige Slavenloge in Kaapstad bezoekt, zie je afbeeldingen van Caraïbische slavernij. Iedereen kent de gravures die John Gabriel Stedman in de jaren 1770 maakte in Suriname. Je komt ze ook tegen in Engelse, Franse en Portugese boeken. Het is echter de vraag of de omstandigheden hetzelfde waren. Dat zou moeten worden onderzocht. Nu worden dingen vaak zonder meer toegeëigend.’

 

Welke andere vragen staan nog open?
‘Hoe creëren mensen in rigide omstandigheden ruimte voor zichzelf? Je hebt het over mensen die slaafgemaakt zijn, maar er werd domweg ook geleefd. Er werden kinderen gemaakt, dus er werd gevreeën. Werd er dan ook liefgehad en hoe werkte dat dan? Er valt nog een wereld te winnen door dat in kaart te brengen. Verder is er veel aandacht voor vrouwen, maar bestaat er weinig onderzoek naar wat mannelijkheid is. Daarnaast maken historici een te harde scheiding tussen de periodes voor en na de afschaffing van de slavernij. We spreken van de Emancipatie. Maar emancipatie is een proces. Wanneer begint het en wanneer is het afgerond? Zitten we er nog middenin?’

 

Wat denkt u zelf?
‘Er zijn nog allerlei erfenissen waar we mee moeten dealen. Nazaten van slaven scoren slecht in alle Nederlandse lijstjes. De werkeloosheid is drie keer zo hoog, het huizenbezit is veel lager, de schuldenpositie hoger. Ook het CBS zegt dat als je de cijfers corrigeert voor andere variabelen, er nog ongeveer 30-40 procent overblijft die je alleen kunt verklaren vanuit discriminatie – je kunt het ook racisme noemen. Dat is een erfenis van het slavernijverleden. Het zou zo maar kunnen dat we deze erfenis hebben uitgebreid naar andere minderheden. De paradox is namelijk dat Nederlanders zichzelf zien als tolerant, maar dat is altijd beperkt geweest tot heel specifieke groepen en dan nog was die tolerantie complex. Zwarte mensen betrof het in ieder geval nooit.’Is het beeld dat Nederlanders hebben van hun geschiedenis inclusiever geworden? ‘Er is de afgelopen vijftien jaar veel meer aandacht gekomen voor het slavernijverleden. Er zijn twee televisieseries en tientallen tentoonstellingen gemaakt. Er zijn romans geschreven, films verschenen, straten vernoemd. Er is geen lesmethode meer die geen aandacht besteedt aan het slavernijverleden. Dat is het positieve verhaal.’

 

En het negatieve?
‘In veel schoolboeken worden meer bladzijden besteed aan de Amerikaanse dan aan de Nederlandse slavernij. Ook is het perspectief nog behoorlijk Nederlands. Natuurlijk zeggen alle methoden dat slavernij slecht was. Maar het blijft een ver-van-mijn-bed-verhaal, terwijl het een van de meest traumatische stukken van de Nederlandse geschiedenis is, waar de hele samenleving mee is doordrenkt. Sterker nog, er worden tegenwoordig weer minder bladzijden aan het slavernijverleden besteed dan tien jaar geleden. In de samenleving zie je een terugkeer naar een soort negentiende-eeuwse vaderlandse geschiedenis. Een kwalijke tendens.
Velen willen erfgenamen zijn van de Gouden Eeuw en waarin-een-klein-landje-groot-kan-zijn, maar niet van de andere kant die net zo goed onze samenleving heeft bepaald. Het gesprek daarover komt maar moeizaam op gang. We schreeuwen en stoppen onze oren dicht voor ‘de ander’. Daar maak ik me het meest zorgen over.’

 

Over Alex

Alex van Stipriaan (1954) omschrijft zichzelf als ‘geëngageerd historicus’. Zijn proefschrift uit 1991 ging over de Surinaamse plantage-economie. Sinds 1997 is Van Stipriaan hoogleraar Caraïbische geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Van 2005 tot 2014 was hij tevens verbonden aan het Tropenmuseum. Samen met het KITLV in Leiden leidt hij nu een vierjarig project Traveling Caribbean Heritage over erfgoed en identiteit op Aruba, Bonaire en Curaçao. Daarnaast initieert en adviseert hij bij interculturele (erfgoed)projecten.

 

 Afbeelding: Bewoners van een 'slavenkamp' bij een Surinaamse plantage. Prent uit 1860, Rijksmuseum Amsterdam. 

 

Dit interview is verschenen in het juninummer van Geschiedenis Magazine, verkrijgbaar bij boekhandel en kiosk! 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: